In onze contreien begint Pasen vaak gewoon… in de tuin. Of in het park, bij opa en oma of ergens waar de paashaas – zoals het hoort – nét iets te goed zijn best heeft gedaan.
Want paaseieren zoeken is hier geen bijzaak. Het is traditie. Een beetje folklore zelfs. De paashaas die ’s nachts langs zou komen, mandjes die al klaarstaan, en kinderen die vol verwachting naar buiten rennen. Al generaties lang hetzelfde tafereel, alleen de chocolade is er niet minder op geworden.
En laten we eerlijk zijn: het zijn niet alleen de kinderen die zoeken. Ouders helpen een handje, wijzen nét iets te snel in de goede richting en weten verdacht vaak waar de meeste eieren liggen. Er wordt gefluisterd dat sommige volwassenen vroeger al stiekem de route van de paashaas probeerden te ontdekken. Oude gewoontes slijten langzaam.
Soms duikt er dagen later nog een vergeten ei op. Ergens achter een struik of onder een omgekeerde bloempot. Een kleine vondst, een tweede paasdagcadeautje. Dat hoort er ook bij.
Die tradities, hoe simpel ook, geven kleur aan het moment. Even naar buiten, even samen, even terug naar iets wat al jaren hetzelfde is en juist daarom vertrouwd voelt.
Los van kerk of verhaal ontvouwt zich hiermee ook een symbolische betekenis. Dat het leven zich steeds weer vernieuwt. Dat je soms onverwacht iets moois kunt vinden. En dat het niet altijd groots hoeft te zijn om waarde te hebben.
Soms is het gewoon een paasei in het gras.